De andere wettelijke rechten van de langstlevende echtgenoot.



De andere wettelijke rechten van de langstlevende echtgenoot.

De wetgever heeft het van belang geacht de verzorging van de langstlevende echtgenoot - ook ingeval van onterving of buiten toepassing verklaren van de wettelijke verdeling - te waarborgen. De andere wettelijke rechten zoals opgenomen in afd. 3.4.2 BW bieden een vangnet in de vorm van verbintenisrechtelijke aanspraken waarvan niet bij uiterste wil kan worden afgeweken. In concreto kan een echtgenoot die na het overlijden niet enig rechthebbende is geworden van de woning en inboedel of wiens verzorging in het gedrang komt, onder voorwaarden aanspraak maken op één of meer van de volgende wettelijke rechten:

voortgezette bewoning en voortgezet gebruik van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap of de nalatenschap behorende woning en inboedel;
vestiging van een vruchtgebruik van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap of de nalatenschap behorende woning en inboedel;
vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen ('verzorgingsvruchtgebruik').

Op het (verzorgings)vruchtgebruik zijn, op enkele uitzonderingen na, de regels van het vruchtgebruik van titel 8 van Boek 3 van toepassing.
Om aanspraak te maken op het verzorgingsvruchtgebruik geldt, anders dan ten aanzien van de andere gemelde wettelijke rechten, als voorwaarde dat de langstlevende daaraan voor zijn verzorging behoefte heeft. Hoe wordt de omvang van de verzorgingsbehoefte vastgesteld? Bij het vaststellen van de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot wordt hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen in mindering gebracht op hetgeen hem toekomt. Ook een uitkering ten gevolge van het overlijden krachtens een sommenverzekering komt in mindering. Voorts moet ook de verplichting de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de verzorgingsbehoefte. De wetgever heeft tot slot enkele omstandigheden geformuleerd waarmee de kantonrechter in ieder geval rekening moet houden bij het vaststellen van de verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot. De Hoge Raad heeft nader invulling gegeven aan de criteria die gehanteerd moeten worden bij het vaststellen van een 'passend verzorgingsniveau'.
Op de voortgezette bewoning en het gebruik van de woning en inboedel gedurende zes maanden na het overlijden hoeft de langstlevende niet uitdrukkelijk aanspraak te maken. De aanspraak op vestiging van een vruchtgebruik op woning en inboedel bestaat gedurende zes maanden na het overlijden; op het verzorgingsvruchtgebruik kan gedurende een jaar na het overlijden aanspraak worden gemaakt. Beide termijnen zijn vervaltermijnen. Als een echtgenoot aanspraak heeft gemaakt op de vestiging van een vruchtgebruik op de woning en inboedel of op andere goederen, verjaart deze rechtsvordering na verloop van een jaar en drie maanden na het openvallen van de nalatenschap. In de situatie dat de erflater in het kader van de wettelijke verdeling met betrekking tot de wilsrechten heeft bepaald dat de langstlevende zich geen vruchtgebruik mag voorbehouden, kan de verzorgingsbehoefte van de langstlevende alsnog in het geding komen als een wilsrecht ontstaat. Op dat moment kan een verzoek worden gedaan tot overdracht van een bepaald goed. De vervaltermijn vangt in een dergelijk geval pas aan op het moment dat overdracht van het goed is verzocht. Deze termijn eindigt drie maanden later. Gedurende die periode kan de langstlevende echtgenoot onder omstandigheden alsnog aanspraak maken op de vestiging van een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4:29 en 4:30 BW op het desbetreffende goed. De rechtsvordering verjaart vervolgens na verloop van een jaar en drie maanden nadat aanspraak is gemaakt op de overdracht van het goed.

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.