Wat zijn de fiscale gevolgen van het wetsvoorstel tot beperking wettelijke huwelijksgemeenschap

De Tweede Kamer heeft recent ingestemd met het initiatiefwetsvoorstel nr. 33.987 waarin de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen wordt beperkt (zie tevens Notafax 2016/100).
Het wetsvoorstel introduceert als standaardstelsel de beperkte gemeenschap van goederen. Vóórhuwelijks (privé)vermogen, erfenissen en giften blijven tot het privévermogen behoren. De mogelijkheid bestaat de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap anders vorm te geven door het opstellen van huwelijkse voorwaarden of door een insluitingsclausule.

Volgens de Minister van Veiligheid en Justitie zijn er aan het initiatiefwetsvoorstel geen opzienbarende nieuwe fiscale gevolgen verbonden. Dit blijkt uit de beantwoording van diverse parlementaire vragen. De minister gaat hierbij onder meer in op de fiscale gevolgen van vergoedingsrechten en -vorderingen, de eigenwoningregeling, de tbs-regeling, de fiscale doorschuifregelingen, schenkingen en schulden verbonden aan erfrechtelijke verkrijgen.

De redactie van V-N heeft kritiek op het standpunt van de minister. Zij is van mening dat het wetsvoorstel veel onvoorziene fiscale gevolgen zal hebben. De redactie is van mening dat het initiatiefwetsvoorstel juist een goede aanleiding is om fiscale problematiek omtrent de vergoedingsrechten en -schulden tussen echtgenoten grondig in kaart te brengen.
De redactie wijst erop dat door het initiatiefwetsvoorstel het aantal situaties waarin tussen echtgenoten vorderingen en schulden zullen ontstaan, flink zal toenemen. Weliswaar bepaalt art. 5e AWR dat een vergoedingsvordering als bedoeld in art. 1:87 BW niet leidt tot een fiscaal relevant belang bij het onderliggende goed, maar echtgenoten zullen deze vorderingen in elk geval voor de inkomstenbelasting moeten etiketteren om te bepalen welke fiscale gevolgen zijn verbonden aan de vorderingen en de daarmee samenhangende schulden.
Volgens de redactie zou naar analogie van diverse civielrechtelijke uitspraken over periodieke verrekenbedingen kunnen worden verdedigd dat echtgenoten, bijvoorbeeld bij het afwikkelen van de vordering, ook rekening dienen te houden met de (latente) belastingheffing ter zake van het onderliggende goed (zie bijvoorbeeld HR 28 november 2014, nr. 13/04874, Notafax 2014/304). Stel dat de ene echtgenoot (A) geheel met gelden van de andere echtgenoot (B) aanmerkelijkbelangaandelen verwerft. Art. 5e AWR leidt er dan toe dat alleen A aanmerkelijkbelanghouder is. Als A de aandelen met winst vervreemdt, zal alleen A in box 2 in belastingheffing worden betrokken (aldus ook het standpunt van de regering in Kamerstukken II 2013/14, 33753, nr. 3 , p. 42), terwijl civielrechtelijk de vervreemdingswinst op grond van art. 1:87 BW volledig (bruto) toekomt aan B. Dit leidt tot financieringsproblemen.

De redactie spreekt de hoop uit dat de wetgever de gelegenheid te baat neemt om de fiscale problematiek van de vergoedingsrechten en -schulden tussen echtgenoten op te lossen. Een mogelijke oplossing is volgens de redactie om – net als bij art. 5.4 Wet IB 2001 in erfrechtelijke situaties – een defiscaliseringregeling in te voeren voor huwelijksvermogensrechtelijke vorderingen.Klik hier om uw inhoud te bewerken

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.