Eindelijk rust in zake de uitleg van een ik-opa-clausule?

Schoenmaker bespreekt de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende de werking van de ik-opa-clausule in een testament (zie tevens Notafax 2015/217).

In het berechte geval had een oom zijn neef B tot erfgenaam benoemd. Bij deze erfstelling had oom aan zijn neef de last opgelegd aan zijn eigen kinderen een bedrag schuldig te erkennen. Bij het overlijden van zijn oom in 2014 vond B de ik-opa-clausule fiscaal onvoordelig uitwerken. Hij deed daarom een verzoek om op grond van art. 4:134 BW de ik-opa-clausule op te heffen. Door de wijziging van art. 10 SW per 1 januari 2010 leidde deze clausule volgens B namelijk niet tot een belastingbesparing maar juist tot extra verschuldigde erfbelasting.

De rechtbank verwierp echter het verzoek van B tot opheffing van de testamentaire last. Op grond van art. 4:134 BW kan degene op wie de testamentaire last rust de rechter verzoeken deze last te wijzigen of op te heffen. Dit is echter alleen mogelijk op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last, uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen, ongerechtvaardigd zou zijn. De ik-opa-clausule kon niet als zodanig worden aangemerkt.

Gelet op de bewoordingen van de last was de rechtbank van oordeel dat de erflater de wil had gehad om een vorderingsrecht toe te kennen aan de kinderen van B. Dit bleek onder meer uit de bewoordingen "Ik verbind aan deze last de beperking dat de lastbevoordeelden geen enkel ander recht zullen hebben dan het recht van opeising na het overlijden van hun vader". Hieruit volgde dat materieel geen sprake was geweest van een testamentaire last maar van een legaat. Nu er sprake was van een legaat, werkte de ik-opa-clausule volgens de rechtbank fiscaal minder nadelig uit omdat de vordering slechts belast kan worden op grond van art. 10 lid 9 SW.

Schoenmaker wijst erop dat in de literatuur veel discussie is over de vraag of de ik-opa-last onder de werking van art. 10 lid 1 of lid 9 SW valt (zie bijv. ND 2010.52.3006 en ND 2014.10.3003 en ND 2015.21.3001).

De staatssecretaris van Financiën is van mening dat bij een ik-opa-testament waarbij aan de erfgenaam 'de last' is opgelegd om een bedrag aan de (klein)kinderen schuldig te erkennen, de geldvorderingen van de (klein)kinderen integraal dienen te worden belast op grond van art. 10 lid 1 SW.
Is er sprake van een ik-opa-testament waarin opa aan zijn (klein)kind een bedrag 'legateert' dat pas opeisbaar is bij het overlijden van het kind, dan is art. 10 lid 9 SW van toepassing. Bij toepassing van art. 10 lid 9 SW wordt de niet-opeisbare geldvordering uitsluitend belast voor zover de nominale waarde van de geldvordering groter is dan de waarde van hetgeen de schuldenaar (in het berechte geval: de neef) uit de nalatenschap van de erflater (oom) heeft ontvangen.

Schoenmaker is van mening dat bij de vraag of art. 10 SW van toepassing is, steeds moet worden beoordeeld of de erfgenaam zijn eigen vererfbare vermogen verkleint door de nalatenschap met de opgelegde testamentaire verplichting in het testament te aanvaarden. Of de geldvorderingen voortvloeien uit een testamentaire last of een legaat, mag geen verschil maken.
De rechtbank neemt het standpunt in dat de 'ik-oom-clausule' in casu als een legaat moet worden aangemerkt. Schoenmaker acht dit juist. Voor de vraag of sprake is van een testamentaire last of legaat moet worden gekeken naar de bedoeling van de erflater. Bij de uitleg van het testament moet worden gelet op de verhouding die het testament wenst te regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt (vgl. tevens art. 4:46 BW).

Door de modelclausules die in het verleden zijn gehanteerd zullen veel ik-opa-clausules in de vorm van een 'last' zijn geformuleerd. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat dan beoordeeld moet worden of de facto aan de lastbevoordeelde een vorderingsrecht is toegekend. Immers, indien dat het geval is moet de making onder het nieuwe erfrecht als legaat worden beschouwd ( Kamerstukken II 1999/2000, 26822, nr. 3, p. 16).
Schoenmaker adviseert om bij onduidelijke oude 'ik-opa-clausules' in een vaststellingsovereenkomst door betrokkenen te laten vastleggen dat sprake is van een legaat. Uit de jurisprudentie volgt dat de inspecteur in beginsel gebonden is aan deze uitleg. Voor nieuw op te stellen testamenten met een ik-opa-clausule lijkt het zinvol om in het testament expliciet te bepalen dat sprake is van een vorderingsrecht (c.q. legaat).

F.A.M. Schoenmaker, KWEP 2015/33 (JB)

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.