Bof geldt ook bij verhuur van vastgoed


BOF geldt ook bij verhuur van vastgoed


De redactie van V-N bespreekt de uitspraak van Hof Den Haag betreffende de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet ook van toepassing is bij verhuur van vastgoed (zie tevens Notafax 2014/24). In het berechte geval had Y in 2009 aandelen geërfd in een aantal BV's die onroerende zaken verhuurden. In geschil was of deze BV's een materiële onderneming dreven. Het hof oordeelde dat het geheel van werkzaamheden kwantitatief en kwalitatief van dien aard waren, mede gelet op de aanzienlijke waarde van de onroerende zaken, dat bij de BV's sprake was van meer dan normaal actief vermogensbeheer. Hierbij nam het hof in aanmerking dat de vader en zijn zoon een jarenlange ervaring en expertise hadden in de exploitatie van vastgoed. Door hun persoonlijke betrokkenheid werd een hoger rendement behaald dan anders het geval zou zijn. De onroerende zaken werden op commerciële wijze geëxploiteerd met het doel en de redelijke verwachting daarmee winst te behalen. Volgens het hof kon hierdoor bij de verwerving van de aandelen een beroep worden gedaan op de BOF. De redactie van V-N wijst erop dat de rechter zich inmiddels een aantal keren heeft moeten buigen over deze problematiek. Tot dusverre wisten de erfgenamen niet aannemelijk te maken dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer (zie bijv. ND 2012.19.3001 en ND 2014.05.3001). Deze rechtspraak was in lijn met het standpunt van de staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van de herziening van de Successiewet. Hieruit kan worden afgeleid dat de staatssecretaris van mening is dat er in beginsel weinig ruimte is voor het toepassen van de BOF bij de verhuur van vastgoed. De redactie wijst erop dat uit onderhavige uitspraak van het hof een genuanceerder beeld volgt. Het hof komt tot de conclusie dat de onroerende zaken in casu op commerciële wijze worden geëxploiteerd met het doel en de redelijke verwachting om hiermee winst te behalen. Het hof komt voornamelijk tot dit oordeel door een kwalitatieve en kwantitatieve toets aan te leggen (zie in gelijke zin HR 17 augustus 1994, BNB 1994/319). Aan de hand van de aard en de omvang van de werkzaamheden wordt vervolgens geoordeeld dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. De redactie wijst erop dat volgens hof hierbij niet zozeer de omvang van en het rendement op de portefeuille van doorslaggevend belang is, als wel de feitelijk verrichte werkzaamheden door erflater en zijn zoon. De redactie vraagt zich af wat de reikwijdte is van onderhavige uitspraak. Betekent de onderhavige uitspraak dat bij verhuur van onroerende zaken sneller een beroep op de BOF mogelijk is? De redactie stelt hierbij een aantal kanttekeningen. In de praktijk zal doorgaans zonder verdere inspanningen - in de huidige markt - de exploitatie van vastgoed slechts in uitzonderingsgevallen succesvol zijn. Ook een financiering van de bank is vaak moeilijk te verkrijgen. De Belastingdienst lijkt hieraan de conclusie te verbinden dat geen beroep op de BOF kan worden gedaan. De redactie heeft hier kritiek op. Volgens de redactie zou de Belastingdienst slechts moeten toetsen of de verhuur van de onroerende zaken kwalificeert als het drijven van een materiele onderneming. Volgens de redactie is het vreemd dat bij het drijven van een 'normale' onderneming altijd een beroep op de BOF kan worden gedaan, terwijl bij de verhuur van vastgoed dit doorgaans niet het geval is.
Hof Den Haag 20 december 2013, nr. BK-12/00757, V-N 2014/8.22 (JB

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.