Is art. 10 sw van toepassing bij het ik-opa-testament?


Is art. 10 SW van toepassing bij het Ik-Opa-testament?



Schoenmaker bespreekt de visie van de staatssecretaris van Financiën betreffende de toepassing van art. 10 SW bij een ik-opa-testament met lastbevoordeling. Opa legt hierbij in zijn testament een last op aan zijn kinderen (die de nalatenschap erven) om een bedrag aan zijn kleinkinderen renteloos schuldig te erkennen. De kleinkinderen kunnen deze vordering pas opeisen bij overlijden van hun ouders (de kinderen van opa). Omdat de vordering pas later opeisbaar is, worden de kleinkinderen slechts voor de 'contante' waarde (= bloot-eigendomswaarde) belast. Bij het overlijden van hun ouder(s) kunnen zij de vordering voor het nominale bedrag opeisen. Door deze opzet wordt in beginsel erfbelasting in de nalatenschap van de ouders van het kleinkind bespaard. Een probleem is dat de staatssecretaris van Financiën bij de herziening van de Successiewet het standpunt heeft ingenomen dat de niet-opeisbare geldvordering van het kleinkind bij het overlijden van de ouder onder het bereik van art. 10 SW kan vallen. De toepasselijkheid van deze fictiebepaling hangt volgens de staatssecretaris af van de formulering van de ik-opa-clausule in het testament (Kamerstukken I 31930, nr. D, p. 56 en nr. F, p. 5. Zie tevens Kamerstukken II 33245, nr. 7, p. 7) Indien sprake is van een ik-opa-testament waarbij aan de erfgenaam 'de last' is opgelegd om een bedrag aan de kleinkinderen schuldig te erkennen, kunnen de geldvorderingen van de kleinkinderen integraal worden belast op grond van art. 10 lid 1 SW. Is er sprake van een ik-opa-testament waarin opa aan zijn kleinkind een bedrag 'legateert' dat pas opeisbaar is bij het overlijden van het kind, dan is volgens de staatssecretaris art. 10 lid 9 SW van toepassing. Het gevolg hiervan is dat de niet-opeisbare geldvorderingen uitsluitend belast kunnen worden voor zover de nominale waarde van de geldvorderingen groter is dan de waarde van hetgeen de schuldenaar uit de nalatenschap van opa heeft ontvangen. Schoenmaker heeft kritiek op de visie van de staatssecretaris. Volgens hem is het onjuist om onderscheid te maken tussen een ik-opa-testament met een testamentaire last en een legaat. Hij wijst erop dat deze visie in de literatuur wordt betwist. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat artikel 10 lid 9 SW juist is ingevoerd om alle problemen met ik-opa-testamenten weg te nemen. Art. 10 lid 9 SW is ingevoerd middels het amendement Cramer (Kamerstukken II 31930, nr. 68). Dit amendement is gebaseerd op kritiek van de KNB op de reikwijdte van de fictie van art. 10 SW. De strekking van het amendement is art. 10 SW alleen van toepassing te laten zijn in situaties dat de nalatenschap bij het overlijden van het kind van opa zou worden 'uitgehold' door de ik-opa-clausule. Indien de schuldigerkenning aan het kind niet méér bedraagt dan de ouder zelf van opa heeft geërfd, is hiervan geen sprake. Schoenmaker wijst er verder op dat de lastbevoordeling in het ik-opa-testament civielrechtelijk in de meeste gevallen als een legaat ten gunste van de kleinkinderen moet worden beschouwd. Sinds 1 januari 2003 (invoering nieuwe erfrecht) zal men in de regel bij het opstellen van een ik-opa-testament aan de kleinkinderen een vorderingsrecht willen toekennen, in welk geval men spreekt van een legaat (art. 4:117 BW). Bij ik-opa-testamenten die vóór 1 januari 2003 zijn opgesteld, ziet men vaak nog het woord 'last' in de clausule staan. De vraag is wat de testateur met dit woord heeft bedoeld. Onder het oude recht kon aan de lastbevoordeelde ook een vorderingsrecht worden toegekend (HR 27 maart 1914, NJ 1914, 622). In dat geval zou de 'last' sinds 1 januari 2003 zijn geconverteerd in een legaat. Men dient zich hier dus niet te laten misleiden door eventueel gebruik van het woord 'last' in het testament. Schoenmaker wijst erop dat de betrokkenen in voorkomende gevallen in een vaststellingsovereenkomst kunnen vastleggen dat het woord 'last' in het testament - gelet op de verhoudingen die de erflater kennelijk wenste te regelen - dient te worden geïnterpreteerd als een legaat (art. 4:46 BW). Volgens HR 19 september 1990, nr. 26.450, BNB 1990/328 is de inspecteur in de regel gebonden aan de uitleg die de betrokken partijen aan een testament geven indien het testament uitleg behoeft, tenzij sprake is van een schijnhandeling. Alles overziende is Schoenmaker van mening dat het probleem dat is opgeroepen door de opvatting van de staatssecretaris, voornamelijk zal spelen in de situatie waarin daadwerkelijk sprake is van een testamentaire last, bijvoorbeeld omdat (enkele) kleinkinderen nog niet bestaan ten tijde van het overlijden van de testateur. In tegenstelling tot een last, dient de bevoordeelde in geval van een legaat wel te bestaan ten tijde van het openvallen van de nalatenschap (art. 4:56 BW).

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.