Verdeling lijfrentepolis na echtscheiding.



Verdeling lijfrentepolis na echtscheiding.

Na een huwelijk van meer dan 30 jaar zijn partijen in 2011 gescheiden. Tot de te verdelen huwelijksgemeenschap behoorden onder meer polissen van levensverzekering en een lijfrentepolis. Inzet bij de rechtbank was vooral de lijfrentepolis.

De vrouw wilde een splitsing van de lijfrentepolis, maar de man wilde toebedeling van de polis, waarvan hij verzekeringnemer was, aan hem, waarna hij aan de vrouw een uitkering zou doen uit hoofde van overbedeling. De vrouw ging daarmee niet akkoord, omdat de uitkering bij haar als inkomen zou worden belast, zoals bleek uit het (fiscale) arrest van Hof Den Bosch van 23 februari 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1088), met toepassing van art. 81 RO bevestigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ0565).

De rechtbank (r.o. 4.14) stelde de vrouw in het gelijk. Toedeling aan de man met een overbedelingsvordering voor de vrouw zou bij de vrouw leiden tot belastingheffing tegen het progressieve tarief, terwijl de vrouw bij splitsing van de polis een voor haar gunstiger moment voor belastingheffing kan kiezen. Dat was volgens de rechtbank een valide argument voor het standpunt van de vrouw, evenals het feit dat de vrouw thans geen nieuwe lijfrente tegen dezelfde gunstige condities zou kunnen aanschaffen. De rechtbank (r.o. 4.15) verwierp de stelling van de man, dat hij als verzekeringnemer meer rechten had op voortzetting van de polis. De lijfrentepolis was een gemeenschapsgoed en de vrouw had een volledig gelijke aanspraak op de waarde daarvan als de man.

De pijn voor de vrouw zit in de fiscale behandeling van een 'lijfrente', die in art. 1.7 lid 1 sub a Wet IB 2001 wordt gedefinieerd als "een aanspraak (...) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen." Volgens de annotator leidt afkoop of vervreemding tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (art. 3.132/133 Wet IB 2001), met als gevolg dat de premies die in het verleden in aftrek zijn gebracht, worden teruggenomen en het gerealiseerde rendement wordt belast. Tevens kan revisierente van 20% verschuldigd zijn. Als de polis aan de man zou zijn toebedeeld, zou de overbedeling bij de vrouw belast zijn, omdat zij een aanspraak prijsgeeft (art. 3.102 lid 3 Wet IB 2001).

Naast de door de rechtbank goedgekeurde wijze van verdeling, nl. een splitsing in gelijke delen voor beide ex-echtgenoten - en wel zodanig dat deze voldoet aan de fiscale eisen van een lijfrente - kan een lijfrente in het kader van de verdeling van een gemeenschap van goederen fiscaal geruisloos verdeeld worden, mits aan de voorwaarden van art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001 wordt voldaan:

door toedeling aan de gewezen echtgenoot ter voldoening of afkoop van een verplichting tot het betalen van partneralimentatie;
door toedeling vanwege een verplichting tot pensioenverevening;
doordat de belastingplichtige zijn gewezen echtgenoot aanwijst als onherroepelijk begunstigde.

Een andere oplossing, die uiteraard alleen mogelijk is als de ex-echtgenoten nog 'on speaking terms' zijn, is om in het jaar van scheiding te kiezen voor voljaars fiscaal partnerschap. Daardoor hebben zij de mogelijkheid de persoonsgebonden aftrek van art. 6.3 lid 1 sub d Wet IB 2001 zodanig tussen hen te verdelen, dat de aftrek wegvalt tegen de bijtelling. Op deze wijze kan toch nog fiscaal neutraal een lijfrente aan één van beide partners worden toegedeeld

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.