Bw wordt restrictief uitgelegd.



BW wordt restrictief uitgelegd.

De alimentatieplicht eindigt bij het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap van de alimentatiegerechtigde, dan wel wanneer deze “is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren”.
Geldt art. 1:160 BW ook als de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde (in casu de vrouw) nog gehuwd is, waardoor de vrouw niet in het huwelijk kan treden?

Ja, zo betoogde de man, wiens ex-vrouw inmiddels met een andere man was gaan samenwonen. Deze andere man was echter nog gehuwd, wat een nieuw huwelijk met de vrouw in de weg stond (art. 1:33 BW).

Neen, aldus de Rechtbank met referte aan het arrest van de HR van 13 juli 2001, waarbij de HR verwees naar de wetsgeschiedenis, met als onderbouwing dat de vrouw daarbij definitief haar “aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest”.

Ja, aldus het Hof, die het samenwonen van de vrouw met de nieuwe man beschouwde als vallend binnen de werkingssfeer van art. 1:160 BW. Hieraan deed volgens het hof niet af dat de nieuwe partner nog gehuwd was. Het is volgens het hof voldoende aannemelijk geworden dat de nieuwe partner zijn huwelijk in stand laat respectievelijk heeft gelaten ten einde de aanspraken van de vrouw op partneralimentatie te laten voortduren. Voorts overweegt het hof dat de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw is komen te vervallen, nu de vrouw ervoor gekozen heeft om met een nieuwe partner te gaan samenleven en daarop haar leven en dat van de kinderen van partijen heeft ingericht.

Ja, aldus A-G Keus in een uitvoerige conclusie, die meent (3.13) dat “de uitleg die het meest met de bedoeling van de wetgever strookt, die is, waarin aan de al dan niet gehuwde status van de nieuwe partner überhaupt geen betekenis wordt toegekend.”

Neen, aldus de HR, die zijn oordeel uit 2001 herhaalt en dat rechtvaardigt door te stellen dat een concubinaat – op het gebied van alimentatie – “geenszins gelijk is te stellen aan een huwelijk of geregistreerd partnerschap” (r.o. 3.4.2).

De HR draagt aan de man nog wel oplossingen aan (in r.o. 3.4.4), immers de behoeftigheid van de vrouw kan door de nieuwe relatie verminderd worden. En voorts: “Bij het vaststellen van de alimentatieplicht kan de rechter bovendien rekening houden met omstandigheden van niet-financiële aard; deze kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen. Daarbij verdient opmerking dat, anders dan is geoordeeld in onder meer HR 2 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB7996, NJ 1987/377 en HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1481, NJ 1995/61, tot die omstandigheden niet kan worden gerekend dat de relatie met de nieuwe partner een “grievend karakter” zou hebben of als grievend zou worden ervaren door de gewezen echtgenoot.

De annotator sluit zich aan bij de overweging van de A-G, die meent dat “de stelselmatige uitsluiting van de toepassing van art. 1:160 BW op een concubinaat met een gehuwde partner heroverweging verdient”

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.