Latere kwijtscheldingen op koopsom niet aftrekbaar op fictieve verkrijging ex art. 10 sw (iii) (2015



Latere kwijtscheldingen op koopsom niet aftrekbaar op fictieve verkrijging ex art. 10 SW (III) (2015.06.3001)

05-02-2015

Van Vijfeijken bespreekt het arrest van de Hoge Raad betreffende de vraag of latere kwijtscheldingen op de koopsom aftrekbaar zijn op de fictieve verkrijging ex art. 10 SW (zie tevens Notafax 2014/253).

In het berechte geval was de moeder van X in 2010 overleden. Zij had in 2002 haar woning aan X overgedragen onder voorbehoud van een huurrecht. De verschuldigde huur bedroeg € 650 per maand. Omdat de moeder nooit huur had betaald, had zij het genot van de woning voorbehouden en was bij haar overlijden art. 10 SW van toepassing. In geschil was in hoeverre de koopsom die X had betaald voor de blote eigendom in mindering mocht worden gebracht op de fictieve verkrijging. X was de koopsom voor de blote eigendom schuldig gebleven aan zijn moeder. Zijn moeder had deze lening in de jaren 2002-2009 volledig kwijtgescholden.

De Hoge Raad oordeelt dat het bedrag dat aan X is geschonken, niet in aftrek komt op de fictieve erfrechtelijke verkrijging van de woning. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat schenkingen die in het verleden hebben plaatsgevonden niet in aanmerking worden genomen bij hetgeen is 'opgeofferd' in de zin van art. 7 SW. Het feit dat moeder bij de levering van de woning een tegenprestatie ten laste van X heeft bedongen, is hiervoor onvoldoende.

De inspecteur had in het onderhavige geval ook de nog openstaande huurschuld bij X belast op grond van art 10 SW. De huur was tegen een samengestelde rente van 4% (opeisbaar bij overlijden van moeder) schuldig gebleven.
De Hoge Raad oordeelt dat de moeder hierdoor tot haar overlijden de beschikking over het geld had gehouden. Zij had hierdoor het genot gehad van een vruchtgebruik in de zin van art. 10 SW.

Van Vijfeijken wijst er in haar noot op dat tot 1 januari 2010 op grond van art. 10 lid 3 SW op de fictieve verkrijging in mindering kon worden gebracht 'wat bij de rechtshandeling door de overledene werd bedongen'. Uit HR 13 juli 2001, nr. 36.060, Notafax 2001/149 (alsmede het besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1934M, Notafax 2004/12, besproken in FBN 2004, nr. 23) volgt, dat indien de erflaatster de intentie had om de koopsom in etappes kwijt te schelden, deze kwijtscheldingen geen onderdeel vormen van hetgeen door de erflater is bedongen. Hierdoor komen deze bedragen niet in mindering op de te belasten waarde van art. 10 SW.

Per 1 januari 2010 is art. 10 lid 3 SW vervallen en regelt art. 7 SW de verminderingen ingeval van een fictieve verkrijging. Volgens art. 7 lid 1 SW komt in mindering op de fictieve verkrijging 'hetgeen de verkrijger voor zijn verkrijging heeft opgeofferd'. Van Vijfeijken is van mening dat bij de beoordeling hiervan het resultaat bij overlijden de doorslag geeft. Is de gehele leenschuld kwijtgescholden, dan komt niets in aftrek. Is een gedeelte kwijtgescholden, dan komt de nog openstaande schuld in aftrek.

De Hoge Raad volgt deze lijn in het onderhavige arrest door te beslissen dat het niet ter zake doet of reeds ten tijde van de overdracht van de woning de intentie bestond om tot kwijtschelding van de koopsom over te gaan. Het is dus niet (meer) van belang of een rechtstreeks verband bestaat tussen de bedongen koopsom en de kwijtscheldingen.
Van Vijfeijken vindt dit redelijk gelet op doel en strekking van art. 10 SW. Er wordt voor de verrekening aangesloten bij wat de fictieve verkrijger ook feitelijk heeft betaald (schenkbelasting en geen koopsom).
Van Vijfeijken vindt het terecht dat de Hoge Raad art. 10 SW ook toepast op de schuldig gebleven huur. In casu was over de schuldig erkende huurtermijnen een samengestelde rente bijgeschreven. Omdat deze rente niet feitelijk was betaald, had de moeder ook het (feitelijk) genot van de schuldig gebleven huur behouden. Omdat de rente over de rente niet feitelijk was betaald had zij eveneens het feitelijk genot van de bijgeschreven rente behouden en was art. 10 SW ook hierop van toepassing. Zie in dit verband tevens HR 16 maart 1988, nr. 24 458, BNB 1988/219.
Van Vijfeijken wijst erop dat de strekking van art. 10 SW is dat de wetgever wil voorkomen dat een erflater zich tijdens zijn leven van zijn vermogen ontdoet, zonder dat hij zich hiervoor een voelbaar offer getroost. In het onderhavige geval had de moeder een woning overgedragen, huur schuldig erkend en rente schuldig erkend, zonder dat zij hier feitelijk ook maar iets van merkte. De Hoge Raad past daarom volgens haar terecht art. 10 SW toe. Als de moeder vermelde transacties niet had uitgevoerd, had tot haar nalatenschap in civielrechtelijke zin behoord: het pand, de verschuldigde huurpenningen en de bijgeschreven rente. De fictiebepaling van art. 10 SW zorgt er voor dat dit alsnog in de heffing wordt betrokken.

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.