Gaat testamentaire voogdijbenoeming voor op rechten van de vader?

In de zaak Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:448, hebben de man en de vrouw een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is een kind geboren. De man heeft het kind erkend doch heeft niet het gezag. Alleen de moeder was met het gezag belast. Sinds 2012 is er geen contact meer geweest tussen de vader en het kind. De verstandhouding tussen de vader en de moeder raakte op dat moment ernstig verstoord. Omdat de moeder ernstig ziek werd en een korte levensverwachting had, heeft zij een pleeggezin gezocht. In 2013 heeft de moeder bij testament de pleegmoeder tot voogd benoemd. Kort daarna sterft de moeder en heeft de pleegmoeder een bereidverklaring betreffende de aanvaarding van de voogdij ingediend. De rechtbank heeft in april 2014 vastgesteld dat de pleegmoeder door aanvaarding van de voogdij voogd is geworden. De vader van het kind is tegen deze beschikking in beroep gegaan. Hij baseert zijn bezwaar op art. 1:253h BW. Op basis van deze bepaling geniet de langstlevende ouder een voorkeurspositie en wordt zijn verzoek om met het gezag te worden belast slechts afgewezen als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De vader meent dat geen sprake is van genoemde vrees. De pleegmoeder acht het niet in het belang van het kind als de vader met het gezag wordt belast. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de voogdij ongewijzigd bij de pleegmoeder te laten.

Volgens het hof moet het voor de minderjarige van groot belang worden geacht dat zijn positie in het gezin van de pleegmoeder wordt gestabiliseerd, nu in dit gezin voor hem een veilige basis is gecreëerd om op te groeien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader nooit het gezag over de minderjarige heeft gehad en het kind nooit langdurig heeft verzorgd, terwijl er al voor het overlijden van de moeder geen dan wel een negatief contact tussen het kind en de vader was. Onder die omstandigheden moet de afweging van de belangen van de vader en het kind tot de conclusie leiden dat het verzoek van de vader niet kan worden gehonoreerd omdat gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de vader de belangen van het kind zullen worden verwaarloosd. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank.

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.