Niet-nageleefd periodiek verrekenbeding: de hoge raad doet weer een uitspraak.

In de zaak Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1875, doet de Hoge Raad uitspraak over een niet-nageleefd periodiek verrekenbeding.

In casu waren partijen buiten gemeenschap van goederen gehuwd met een periodiek verrekenbeding. Ze hebben nooit verrekend. De echtelijke woning staat op naam van de vrouw. Deze woning is gefinancierd met overwaarde verkregen door de verkoop van eerdere echtelijke woningen en een hypothecaire lening waarvoor beide echtgenoten debiteur zijn. Volgens de man is de overwaarde van de woning mede toe te rekenen aan de inbreng van door hem overgespaard maar niet verrekend inkomen. De rechtbank veroordeelt de vrouw tot betaling van de helft (ruim € 350.000) van de overwaarde aan de man. Het hof oordeelde echter dat de vrouw in het geheel niet hoeft te verrekenen omdat de woning geheel noch gedeeltelijk is verkregen met te verrekenen inkomsten of vermogen aan haar zijde. De aflossingen of investeringen met overgespaard inkomen van de man kunnen volgens het hof hooguit een vergoedingsrecht van de man op de vrouw doen ontstaan.

In cassatie klaagt de man dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat voor verrekening van de waarde van de woning slechts plaats is als de vrouw met te verrekenen inkomsten heeft afgelost op de hypothecaire geldleningen, of waarde-vermeerderende investeringen heeft gedaan. Het hof heeft volgens de man miskend dat voor de toepassing van de in art. 1:141 lid 1 jo 1:136 lid 1 BW neergelegde plicht tot verrekening het er niet toe doet van welke echtgenoot het overgespaarde inkomen afkomstig is en in wiens goed dat is geïnvesteerd.

De Hoge Raad oordeelt dat zowel uit de tekst als uit de ratio van genoemde bepalingen voortvloeit dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen dat is gevormd uit door de echtgenoten tijdens het huwelijk overgespaard inkomen, dient te worden verrekend, ongeacht aan wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaarde inkomen dat vermogen is gevormd. De achterliggende gedachte is immers dat ieder van de echtgenoten na verrekening van hetgeen door hen tezamen is bespaard, zijn of haar aandeel daarin kan gebruiken voor de vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Hiermee strookt dat bij de finale afrekening na het eindigen van het huwelijk de echtgenoot die zijn of haar overgespaarde inkomsten heeft geïnvesteerd in (de financiering van) een aan de andere echtgenoot toebehorend goed, naar de in art. 1:136 lid 1 BW vermelde maatstaf meedeelt in de eventuele waardestijging die het goed gedurende het huwelijk heeft ondergaan. De Hoge Raad vernietigt daarop de beschikking van het hof.

RFR, 11, 2015, nr. 119, p. 790 e.v. (MK)

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.