Nd woz-waardering geldt ook voor legaten die afhankelijk zijn van de waarde van een woning

Vrenegoor bespreekt de uitspraak van de Hoge Raad betreffende de waardering van een legaat voor de erfbelasting.

In het berechte geval was de moeder van X in 2010 overleden. X was onterfd, maar verkreeg wel een legaat van 10% van het saldo van de nalatenschap. In geschil was voor welke waarde dit legaat belast was voor de erfbelasting.

Het hof oordeelde dat voor de bepaling van de waarde van het legaat moest worden uitgegaan van de waarderingsregels zoals neergelegd in de Successiewet. Tot de nalatenschap behoorde onder meer een woning. Deze woning was voor het bepalen van de waarde van het legaat gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De waarde van het legaat bedroeg hierdoor per saldo € 45.697. Het hof oordeelde dat dit onjuist was. Volgens het hof moest de woning worden gewaardeerd op de hogere WOZ-waarde (vgl. art. 21 lid 5 SW). Het legaat had hierdoor een waarde van € 62.430.

De Hoge Raad heeft thans in cassatie het oordeel van het hof gevolgd. Volgens de Hoge Raad moeten de in de Successiewet neergelegde waarderingsregels ook worden toegepast indien de omvang van het legaat mede afhankelijk is van de waarde van een woning (vgl. HR 13 december 1995, FBN 1996, nr. 1).

Vrenegroor wijst erop dat de waarderingsregel van art. 21 lid 5 SW een zelfde effect heeft indien de wettelijke verdeling van toepassing is. Stel, tot de nalatenschap behoort een woning met een WOZ-waarde van € 400.000 en een waarde in het economische verkeer van € 300.000. De erfgenamen moeten nu op grond van art. 21 lid 5 SW over € 400.000 erfbelasting betalen. Is sprake van een wettelijke verdeling met, bijvoorbeeld, een langstlevende echtgenoot en drie kinderen waarbij ieder voor 25% erfgenaam is, dan heeft dit tot gevolg dat bij waardering van de nalatenschap op de waarde in het economische verkeer, ieder kind civielrechtelijk een niet-opeisbare vordering op de langstlevende echtgenoot heeft van € 75.000. Voor de erfbelasting worden de kinderen echter belast voor € 100.000 (fiscaal heeft de vordering dus een hogere waarde). Een en ander vloeit mede voort uit HR 13 december 1995, FBN 1996, nr 1.

Het arrest van de Hoge Raad heeft ook gevolgen voor de situatie dat bij testament is geregeld dat een legataris de woning gelegateerd krijgt tegen inbreng van de waarde in het economische verkeer. De staatssecretaris van Financiën heeft destijds in antwoord op vragen van de Tweede Kamer (brief van 10 oktober 2011, nr. BD2011/293, Notafax 2011, nr. 245) gesteld, dat wanneer de legataris een lager bedrag moet inbrengen dan de WOZ-waarde, de legataris erfbelasting verschuldigd is over het verschil tussen de WOZ-waarde en de inbrengsom. Afhankelijk van de omstandigheden en het te hanteren erfbelastingtarief kan het voor de legataris hierdoor ongunstig uitpakken om het legaat te aanvaarden. Verwerping door de legataris zou voor de erfgenamen nadelig kunnen zijn, omdat een verwerping niet tot een lagere erfbelastingopbrengst kan leiden (art. 30 SW).

Volgens Vrenegroor volgt uit onderhavige uitspraak dat het hiervoor weergegeven standpunt van de staatssecretaris niet langer juist. De verplichting van de legataris tot inbreng van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak kan worden gezien als een sublegaat ten behoeve van de erfgenamen. De erfgenamen krijgen een vorderingsrecht op de legataris, dat gerelateerd is aan de waarde van een onroerende zaak. In lijn met onderhavige uitspraak van de Hoge Raad zou dan de conclusie zijn dat de waarde van dat vorderingsrecht dient te worden vastgesteld met inachtneming van art. 21 lid 5 SW. In die situatie betalen de erfgenamen erfbelasting over het verschil tussen de inbrengsom en de hogere WOZ-waarde, en niet de legataris.

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.