Toestemming ex art. 1:88 bw in geval van borgtocht

10-12-2015

Een gehuwde man is bestuurder en enig aandeelhouder van een BV. Deze BV houdt alle aandelen in een dochtervennootschap. De dochteronderneming leent € 650.000 van de Rabobank voor de financiering van een nieuw bedrijfspand. De man staat borg voor de terugbetaling door de dochteronderneming zonder dat zijn vrouw daartoe toestemming ex art. 1:88 lid 1 sub c BW verleent. De dochteronderneming gaat vervolgens failliet en de bank spreekt de man in privé aan voor de restantschuld wegens de verleende borgtocht. De echtgenote vernietigt de borgstelling buitengerechtelijk op grond van art. 1:89 BW (ontbreken vereiste toestemming).

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4456, oordeelt dat de toestemming ex art. 1:88 lid 1 sub c BW niet is vereist indien art. 1:88 lid 5 BW van toepassing is. Dat wil zeggen, indien de rechtshandeling (de borgstelling) wordt verricht door een DGA en geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. De financiering van een nieuw bedrijfspand acht de rechtbank normale bedrijfsuitoefening van het bedrijf.
De Rabobank heeft onbetwist gesteld dat de aankoop van grond en de bouw van een pand voor € 700.000 met de daarbij behorende financieringslasten past bij de omvang van de omzet van de BV van € 1.500.000 per jaar. Het risico van de borgtocht werd beperkt doordat de grond en het pand tot de activa van de BV zijn gaan behoren en deze tot zekerheid voor de nakoming van de lening strekten. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarbij de financiering waarvoor de borgtocht is verschaft, niet heeft geleid tot een toename van het vermogen dan wel van de liquiditeiten van de onderneming. Evenmin is sprake van een uitzonderlijke investering gelet op de aard en de omvang van de investering.
De borgtocht is derhalve niet vernietigd.

RFR, 11, 2015, nr. 129, p. 858 e.v. (MK)

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.