Fictiebepaling art. 10 sw bij overdracht woning aan kind onder voorbehoud te lage huur

25-08-2016

Van Vijfeijken bespreekt de uitspraak van de Hoge Raad betreffende de vraag of bij overdracht van een woning aan een kind onder voorbehoud van een te lage huur, de fictiebepaling van art. 10 SW bij het overlijden van de ouder van toepassing is.

In het berechte geval droeg X in 2010 haar woning onder voorbehoud van een huurrecht over aan haar zoon. X overleed in 2011. De inspecteur stelde dat bij overlijden art. 10 SW van toepassing was op de woning. De door X betaalde huur (€ 650 per maand) bedroeg op jaarbasis namelijk minder dan 6% van de WOZ-waarde (€ 216.000). De zoon van X stelde dat de fictiebepaling niet van toepassing was, omdat de huur meer bedroeg dan 6% van de waarde van het huis in verhuurde staat. Deze waarde was door een erkend taxateur gesteld op € 117.500.

Hof Amsterdam verwierp echter de visie van de zoon (Notafax 2014, nr. 320). Ingevolge art. 10 lid 3 SW wordt de erflater geacht het vruchtgebruik te hebben gehad van de overgedragen woning indien de betaalde huur lager is dan 6% van de waarde van de woning in onbezwaarde staat. Per 1 januari 2010 moet een woning voor de Successiewet in aanmerking worden genomen voor de WOZ-waarde (art. 21 lid 5 SW). Niet in geschil was dat de WOZ-waarde van de woning € 216.000 bedroeg. Nu de door moeder betaalde huur minder bedroeg dan 6% van die WOZ-waarde, had de inspecteur zich volgens het hof terecht op het standpunt gesteld dat moeder werd geacht een genot van vruchtgebruik van de woning te hebben gehad. De woning was hierdoor bij het overlijden van X terecht bij de zoon als een fictieve verkrijging in aanmerking genomen.

De Hoge Raad heeft in cassatie het oordeel van het hof bevestigd. Volgens de Hoge Raad stelt X tevergeefs dat de fictiebepaling van art. 10 SW buiten toepassing blijft wanneer partijen strikt zakelijk hebben gehandeld. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat art. 10 lid 3 SW is ingevoerd om een eenvoudige en toegankelijke regeling tot stand te brengen. Deze regeling geldt ook als zij ertoe leidt dat in individuele gevallen een te hoog of een te laag rendement in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft scherp willen begrenzen welke gevallen onder de fictiebepaling van art. 10 SW vallen. De vraag of partijen al dan niet zakelijk hebben gehandeld, is hierbij niet meer van belang. Aangezien de overdracht van de woning heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2010, kan X geen beroep doen op de in het besluit van 4 april 2012, nr. BLKB2012/103M (Notafax 2012, nr. 82), omdat dit ziet op huursituaties die al op 1 januari 2010 bestonden.

Van Vijfeijken wijst er in haar noot op dat de Hoge Raad terecht art. 10 heeft toegepast. De systematiek van art. 10 SW beoogt de waardesprong van ‘blote’ naar ‘volle’ eigendom te belasten. In casu zou tot de nalatenschap van de erflaatster een pand hebben behoord met een waarde van € 216.000. Nu het pand voor € 117.500 is overgedragen aan het kind, vindt bij dit kind een waardeaangroei plaats voor het verschil. Omdat van het voorbehouden genotsrecht een waardedrukkend effect uitgaat, is art. 10 SW in van toepassing. Van Vijfeijken wijst erop dat ook als er geen waardedrukkend effect zou zijn uitgegaan van het voorbehouden zakelijke huurrecht, de fictiebepaling toch van toepassing kan zijn. Uitgangspunt is immers dat alleen als een huurvergoeding van 6% van de WOZ-waarde wordt betaald, er geen sprake kan zijn van een voorbehouden genot in de zin van art. 10 lid 1 SW. Deze interpretatie sluit aan bij visie van de staatssecretaris van Financiën omtrent de toepassing van art. 10 SW (zie onderdeel 4 van het besluit van 4 april 2012, nr. BLKB2012/103M).

Van Vijfeijken wijst erop dat dat een huurvergoeding van 6% van de WOZ-waarde niet altijd nadelig hoeft uit te pakken. Door de hoge huur kan immers vermogen worden overgeheveld naar de kinderen zonder schenkbelasting. Als de woning is geschonken, is over die WOZ-waarde schenkbelasting verschuldigd. Deze belasting, vermeerderd met 6% enkelvoudige rente (art. 7 SW) over de periode tot aan het overlijden van de ouder, komt in mindering op de erfbelasting die wordt opgeroepen door art. 10 SW. Alleen als het pand meer in waarde stijgt dan de bij te tellen rente van 6% enkelvoudig, resteert er een heffingsgrondslag. Is het pand verkocht in vrij opleverbare staat, dan komt bij het overlijden van de ouder de betaalde koopsom, vermeerderd met 6% enkelvoudige rente, in mindering op de fictieve verkrijging. Ook in dit geval resteert er alleen een heffingsgrondslag als de waarde van het pand harder is gestegen dan de bij de koopsom opgetelde rente.

Van Vijfeijken wijst er tot slot op dat art. 10 SW buiten toepassing blijft in de situatie dat een kind een huis aanschaft van een derde en dat huis vervolgens aan zijn ouder(s) verhuurt voor een huurprijs die minder bedraagt dan 6% van de WOZ-waarde. Er is geen sprake van een verkrijging ‘ten koste van het vermogen van de erflater’ omdat de ouder nooit de volle eigendom van het pand heeft gehad. Evenmin is sprake van een verkrijging ‘ten laste van zijn vermogen’, omdat de ouder het genotsrecht niet onder bezwarende titel heeft verworven (art. 10 lid 1 SW).

Ter Braak Willems is een notariskantoor dat met u meedenkt. Wij adviseren u over uw juridische vraagstukken.