skip to Main Content
Almelo, Adastraat 1 0546 - 82 25 55 Nijverdal, Maximastraat 4 0548 – 85 50 00

Erfrecht

NJO 2020, 101

Vervolg op Notamail 2019/113. De vereffening van een nalatenschap geschiedt in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap. Aan de vereffenaar komt daarom slechts salaris toe voor de werkzaamheden die hij in het belang van de schuldeisers in redelijkheid heeft kunnen uitvoeren. Voor werkzaamheden die niet in redelijkheid in het belang van de schuldeisers worden geacht te zijn uitgevoerd, komt de vereffenaar geen salaris toe. Vereffenaar is in casu niet als een ‘goed vereffenaar’ te werk gegaan als gevolg waarvan de vereffening van de nalatenschap een enorme en onnodige vertraging heeft opgelopen.
Gerechtshof Amsterdam, 14 april 2020, 200.264.015/01, ECLI:NL:GHAMS:2020:1241

 

NJO 2020, 102

Het begrip ‘gewichtige reden’ als bedoeld in art. 4:149 lid 2 BW dient casuïstisch te worden beoordeeld: afhankelijk van de bijzonderheden van de individuele zaak kan dit begrip op verschillende manieren worden geïnterpreteerd c.q. van toepassing zijn. Een specificatie in de vorm van een het ‘ontbreken van een persoonlijke vertrouwensrelatie tussen executeur en erfgenamen’ kan onder omstandigheden een uitwerking vormen van het begrip ‘gewichtige reden’. Aan een executeur die tevens (afwikkelings)bewindvoerder is, kan de testateur zowel de bevoegdheden van een executeur als die van een bewindvoerder toekennen. Het is toegestaan in een uiterste wil te bepalen dat, in afwijking van art. 4:170 BW, een afwikkelingsbewindvoerder naar eigen inzicht de nalatenschap kan verdelen met als tegenwicht voor deze zelfstandige verdelingsbevoegdheid diverse waarborgen als opgenomen in afdeling 4:5:7 BW, zoals de boedelbeschrijving (art. 4:160 BW), de rekening en verantwoording (art. 4:161 BW), het ontslag wegens gewichtige redenen (art. 4:164 BW) en bovenal de aansprakelijkheid indien in de zorg van een goed bewindvoerder verwijtbaar wordt tekortgeschoten (art. 4:163 BW), naast de aan de erfgenamen toekomende wettelijke rechten zoals de dwingendrechtelijke legitieme portie.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 16 april 2020, 200.270.900/01, ECLI:NL:GHSHE:2020:1343

 

Terug naar nieuws